
As
De slapen van mijn schedel schreeuwen moord
en brand. Haar silhouet draait in en om
een lijf dat vraagt naar meer. Gezond verstand
vervloekt haar geur de kleur van blauwe ogen
die zoeken in de diepte waar een leegte
een onbewoonbaarheid haar hoogtij viert.
Dan breekt de ochtend slaap en lopen wij
weer langzaam op de klippen van het keurslijf
waar nieuwe dag zijn maskers maakt en waar
wij lopen in de pas vergeten hoe
het was die dag in mei waar handen handen
beroerden, zachte huid ontbrandde in
mijn keel de adem stokte en jouw lach
naar binnen drong op zoek naar plaatsen waar
je blijven kon.

Ondraaglijk
Voor altijd vastgevroren in de tijd.
De stille rust waarmee je wegvloog uit
het beeld van ochtend in gebleekt katoen.
De haren zwart, alleen je huid droeg jij.
En ik, geboeid publiek, keek ademloos
naar hoe jij vlinder werd en onder vel
bewoog, je naam onzichtbaar in mij schreef.
Pas achteraf bedacht ik, had ik maar
de vleugels vastgebonden op je rug.