Gedichten

Saskia van Leendert

Tussen brandnetels

Tussen brandnetels paardenbloemen
smalle weegbree en een bramenstruik
geven wij op zondag opa water.

Van al dat liggen groeien er
viooltjes op zijn buik
met van die geelbruine blaadjes 
zo zacht als poezenvel. 

Ik stel me voor dat ze hem aaien
zachtjes kriebelen in zijn oor 
tot hij lachen moet.

Hij wil niet meer
gevonden worden
zo stil ligt hij
zijn adem in te houden.

Op weg naar huis blaas ik
van alle paardenbloemen
een sprei voor de nacht.

Uit: Een doodgewone donderdag, Saskia van Leendert 

 

Ondraaglijk

Voor altijd vastgevroren in de tijd.
De stille rust waarmee je wegvloog uit
het beeld van ochtend in gebleekt katoen.
De haren zwart, alleen je huid droeg jij.

En ik, geboeid publiek, keek ademloos
naar hoe jij vlinder werd en onder vel
bewoog, je naam onzichtbaar in mij schreef.
Pas achteraf bedacht ik, had ik maar

de vleugels vastgebonden op je rug.

Uit: Hoe zij mij leest, Saskia van Leendert