Gedichten

Saskia van Leendert

Tussen brandnetels

Tussen brandnetels paardenbloemen
smalle weegbree en een bramenstruik
geven wij op zondag opa water.

Van al dat liggen groeien er
viooltjes op zijn buik
met van die geelbruine blaadjes 
zo zacht als poezenvel. 

Ik stel me voor dat ze hem aaien
zachtjes kriebelen in zijn oor 
tot hij lachen moet.

Hij wil niet meer
gevonden worden
zo stil ligt hij
zijn adem in te houden.

Op weg naar huis blaas ik
van alle paardenbloemen
een sprei voor de nacht.

Uit: Een doodgewone donderdag

 

Het kind in ons 

Moeder, om te klappen
heb je twee handen nodig

hoe schuif ik sneeuw
in je hoofd aan de kant

we zingen kinderliedjes
in herkansing

naar bed naar bed, zeg jij
op weg naar stilte

maar we gaan nog niet naar huis
nog lange niet naar huis

moeder, beweeg mee
op de maat van het verdwijnen

hoe kan ik je lichter laten reizen
eerst nog wat eten voordat

huilende honden botten verslinden
waar zal ik het halen van je héla hola

hoe houd ik de moed erin
wanneer ik niet weet nog lange niet

hoe laat het is
nog lange niet naar huis

waar het zingende zwijgen wacht
in een uitgehold hart

héla hola, houd de moed erin
blij, blij, blij.  

Uit: Restwarmte  

 

Niemand bestaat alleen

Voorouders nestelen in mijn schoot
hun blikken op de einder, verder.

Ik versta tekens, taal van oud zeer
alle vergeten gisterens dwingen
te kijken naar wat begraven leek.

Niemand bestaat alleen uit zichzelf, in mij
een bibliotheek aan kleitabletten, dode
zeerollen, verzameld werk van bloedsporen.

Mijn eigenheid is niet meer
dan een druppel in de oersoepbron.

Ik ben geboren als mogelijkheid.

Uit: Restwarmte